Barst
29th December 2010, 01:39
’Het leven heeft zin, de dood niet’
In haar boek over overlevingskunst gaat Christa Anbeek, universitair hoofddocent bestaansfilosofie aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, op zoek naar een antwoord op de dood. Ze toetst verschillende filosofieën aan haar eigen ervaringen.
Is er een houding van levenskunst te vinden als je geliefde sterft, of is het puur een kwestie van overleven? Dat vraagt Christa Anbeek (1961) zich af. Haar partner Paul is plotseling overleden aan een acute hartstilstand tijdens een bergwandeling in Spanje. Twintig jaar eerder verloor ze binnen korte tijd haar ouders en enige broer. Ze heeft zich sindsdien verdiept in het zenboeddhisme. Na het overlijden van Paul biedt dat haar echter weinig troost en blijkt mediteren te pijnlijk. Ze tuimelt in een bodemloze leegte en ziet zich – opnieuw – geconfronteerd met existentiële vragen.
Haar boek ’Overlevingskunst’ is het verslag van haar zoektocht naar de diepere zin van dood. Anbeek gaat onder anderen te rade bij de existentiële psychotherapie van de Amerikaanse psychiater Irvin Yalom, de klassieke levenskunst van Joep Dohmen en Wilhelm Schmid, het werk van filosofe Patricia de Martelaere, de schrijfsters Kristien Hemmerechts en Anna Enquist, cardioloog Pim van Lommel, dichter Rutger Kopland, Thich Nhat Hanh en evolutiebioloog Richard Dawkins. Niet alleen geeft ze kernachtig hun gedachten over dood en leven weer, ze houdt hun filosofieën ook tegen het licht en toetst ze aan haar persoonlijke ervaring. Ze doet dit in de vorm van een brief aan haar dochter. Haar conclusie: ’Ik heb geen antwoord op de dood. Er is geen zin in de dood. Uit alles blijkt dat er slechts zin is in het leven’.
Vond u deze uitkomst bevredigend?
„Ik zie een parallel met het levensverhaal van de Boeddha. Geconfronteerd met ziekte, ouderdom en dood gaat hij op zoek naar dat wat niet vergankelijk is. Uiteindelijk komt hij tot verlichting, waarbij zijn belangrijkste inzicht is: er is niets dat niet vergankelijk is.
„Ik concludeer dat een zoektocht naar de zin van de dood tevergeefs is, omdat je toch echt uitkomt bij het leven. Het is een cirkelgang, waarbij ik onderweg veel waardevols ben tegengekomen.”
Wat vond u het meest troostrijk?
„Allereerst de ongeremde boosheid en pijn en het verdriet in het werk van Hemmerechts en Enquist. Ze generen zich daar niet voor. De levenskunstenaars Dohmen en Schmid, die ik in het hoofdstuk daarvoor bespreek, streven juist een zekere gematigdheid na. Dat niet gereduceerde verdriet van die vrouwen vind ik zo’n terechte reactie op een groot verlies, heel menselijk. Het is geleefde werkelijkheid en niet een geabstraheerde werkelijkheid. Ik vind dat filosofie altijd terug moet naar de concrete, specifieke ervaring en situatie. Je kunt niet in z’n algemeenheid iets zinnigs over de dood zeggen.
„Ik heb wel geaarzeld over het persoonlijke karakter van dit boek. Maar het is, denk ik, ook de kracht ervan. Er is rouwliteratuur, er zijn egodocumenten, maar er was nog geen boek waarin de filosofie over eindigheid wordt opengebroken vanuit de eigen ervaring. Mensen kunnen daar hun eigen ervaringen tegenaan leggen.”
Waarom werd het een brief aan uw dochter?
„Door mijn levensverhaal – mijn ouders en broer stierven vlak na elkaar, waarbij mijn vader en broer zelf kozen voor de dood – heb ik vanaf die tijd heel sterk een druk gevoeld dat ik daar iets tegenover moest zetten, alsof ik ook voor hen moest leven. Het confronteerde mij bovendien met de vraag: wat doe ik? De dood trok aan mij. Mijn antwoord daarop was het krijgen van een kind.
„Wat me erg raakte in de brief die mijn dochter mij terugschrijft, is dat ze zegt dat ze altijd geweten heeft dat ze er is, omdat anderen er niet meer zijn. Ze is trots dat ik voor het leven gekozen heb en bedankt me bijna daarvoor.”
U had zich jaren in het boeddhisme verdiept, maar dit bood toch weinig steun na het overlijden van uw partner. Hoe verklaart u dat?
„Ik heb me vooral verdiept in de zentraditie. Die zegt: je kunt geen uitspraken doen over een leven na dit leven. Het gaat erom dat je dit leven volop leeft. In zen gaat het letterlijk over leren leven zonder houvast. Zolang het leven enigszins veilig in elkaar zit, kun je dat bijna romantiseren. Maar toen mijn partner wegviel, bleek dat toch heel wat ingewikkelder. Ik kwam niet uit met die eindigheid.
„Het boeddhisme zegt: niet de dood is het probleem, maar de ’ik’ die de dood niet wil hebben. Ik begrijp het belang van die onthechting wel, want die dood kun je niet veranderen en de gehechtheid van dat ’ik’ enigszins. Maar ik hoop dat ik nooit zo onthecht raak, dat ik mijn geliefde niet zou missen als die plotseling wegvalt. Want wat heb je dan zolang die er nog is? Het voelde als Spielerei met woorden om het leven minder hard te maken, terwijl het wel hard ís.”
Waren er ook elementen in het boeddhisme waar u wel steun in vond?
„Zeker. De Martelaere gebruikt een mooie metafoor van het zwemmen: als je wild beweegt en maait, is de kans groter dat je verdrinkt. Pas als je kalm bent, kun je profiteren van de dragende kracht van het water. Je kunt je ook door het leven laten dragen, als je iets loslaat van je eigen verzet en pijn. In zen gebeurt dat door overgave aan het moment.
„Wat me ook erg aanspreekt, is het Tibetaanse boeddhisme van Sogyal Rinpoche. Daarin is veel aandacht voor de emoties van de stervende en de mensen eromheen.”
Hebt u nooit gedacht: ik wil niets meer met dood te maken hebben?
„Heel erg. Het moeilijke was dat ik door dit boek steeds bij die pijn bleef. Bij tijden voelde ik weerzin en kwam ik uit bij: er valt niets fatsoenlijks over de dood te zeggen. Soms moest ik ook voedsel eten waarvan ik voelde: dit is helemaal niet goed voor me. Ik kan boos worden als er een metafysica gepresenteerd wordt waar ik helemaal niets mee kan, zoals bij Pim van Lommel. Terwijl ik er wel diep in moest duiken om erover te kunnen schrijven.
„Daar tegenover zet ik Rutger Kopland. Hij schrijft over niet verder willen kijken dan de eindigheid en over het erkennen van de pijn en het verdriet dat je die ander los moet laten en zelf verder moet gaan.”
Verwacht u dat u door dit boek het thema dood kunt afsluiten?
„De dood heeft iets fascinerends, dus ik ben bang dat het zal blijven terugkomen. Maar in een volgend project wil ik de verbondenheid in het leven centraal stellen, de relaties met mensen onderling en met de natuur.
„Voor dit boek heb ik me ook intensief verdiept in filosofieën over de natuur en de onvermijdelijkheid van leven en dood. Celbiologe Ursula Goudenough legt de nadruk op het ontzagwekkende van de evolutie en betoogt dat de eindige natuur bijna religieuze gevoelens van verwondering kan oproepen. Zij kwam voor mij eigenlijk nog het dichtst bij een antwoord, omdat ze laat zien: je kunt de natuur begrijpen en vervolgens beamen, het leven is zoals het is.”
© Trouw, 28-12-2010 (Elke van Riel)
In haar boek over overlevingskunst gaat Christa Anbeek, universitair hoofddocent bestaansfilosofie aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht, op zoek naar een antwoord op de dood. Ze toetst verschillende filosofieën aan haar eigen ervaringen.
Is er een houding van levenskunst te vinden als je geliefde sterft, of is het puur een kwestie van overleven? Dat vraagt Christa Anbeek (1961) zich af. Haar partner Paul is plotseling overleden aan een acute hartstilstand tijdens een bergwandeling in Spanje. Twintig jaar eerder verloor ze binnen korte tijd haar ouders en enige broer. Ze heeft zich sindsdien verdiept in het zenboeddhisme. Na het overlijden van Paul biedt dat haar echter weinig troost en blijkt mediteren te pijnlijk. Ze tuimelt in een bodemloze leegte en ziet zich – opnieuw – geconfronteerd met existentiële vragen.
Haar boek ’Overlevingskunst’ is het verslag van haar zoektocht naar de diepere zin van dood. Anbeek gaat onder anderen te rade bij de existentiële psychotherapie van de Amerikaanse psychiater Irvin Yalom, de klassieke levenskunst van Joep Dohmen en Wilhelm Schmid, het werk van filosofe Patricia de Martelaere, de schrijfsters Kristien Hemmerechts en Anna Enquist, cardioloog Pim van Lommel, dichter Rutger Kopland, Thich Nhat Hanh en evolutiebioloog Richard Dawkins. Niet alleen geeft ze kernachtig hun gedachten over dood en leven weer, ze houdt hun filosofieën ook tegen het licht en toetst ze aan haar persoonlijke ervaring. Ze doet dit in de vorm van een brief aan haar dochter. Haar conclusie: ’Ik heb geen antwoord op de dood. Er is geen zin in de dood. Uit alles blijkt dat er slechts zin is in het leven’.
Vond u deze uitkomst bevredigend?
„Ik zie een parallel met het levensverhaal van de Boeddha. Geconfronteerd met ziekte, ouderdom en dood gaat hij op zoek naar dat wat niet vergankelijk is. Uiteindelijk komt hij tot verlichting, waarbij zijn belangrijkste inzicht is: er is niets dat niet vergankelijk is.
„Ik concludeer dat een zoektocht naar de zin van de dood tevergeefs is, omdat je toch echt uitkomt bij het leven. Het is een cirkelgang, waarbij ik onderweg veel waardevols ben tegengekomen.”
Wat vond u het meest troostrijk?
„Allereerst de ongeremde boosheid en pijn en het verdriet in het werk van Hemmerechts en Enquist. Ze generen zich daar niet voor. De levenskunstenaars Dohmen en Schmid, die ik in het hoofdstuk daarvoor bespreek, streven juist een zekere gematigdheid na. Dat niet gereduceerde verdriet van die vrouwen vind ik zo’n terechte reactie op een groot verlies, heel menselijk. Het is geleefde werkelijkheid en niet een geabstraheerde werkelijkheid. Ik vind dat filosofie altijd terug moet naar de concrete, specifieke ervaring en situatie. Je kunt niet in z’n algemeenheid iets zinnigs over de dood zeggen.
„Ik heb wel geaarzeld over het persoonlijke karakter van dit boek. Maar het is, denk ik, ook de kracht ervan. Er is rouwliteratuur, er zijn egodocumenten, maar er was nog geen boek waarin de filosofie over eindigheid wordt opengebroken vanuit de eigen ervaring. Mensen kunnen daar hun eigen ervaringen tegenaan leggen.”
Waarom werd het een brief aan uw dochter?
„Door mijn levensverhaal – mijn ouders en broer stierven vlak na elkaar, waarbij mijn vader en broer zelf kozen voor de dood – heb ik vanaf die tijd heel sterk een druk gevoeld dat ik daar iets tegenover moest zetten, alsof ik ook voor hen moest leven. Het confronteerde mij bovendien met de vraag: wat doe ik? De dood trok aan mij. Mijn antwoord daarop was het krijgen van een kind.
„Wat me erg raakte in de brief die mijn dochter mij terugschrijft, is dat ze zegt dat ze altijd geweten heeft dat ze er is, omdat anderen er niet meer zijn. Ze is trots dat ik voor het leven gekozen heb en bedankt me bijna daarvoor.”
U had zich jaren in het boeddhisme verdiept, maar dit bood toch weinig steun na het overlijden van uw partner. Hoe verklaart u dat?
„Ik heb me vooral verdiept in de zentraditie. Die zegt: je kunt geen uitspraken doen over een leven na dit leven. Het gaat erom dat je dit leven volop leeft. In zen gaat het letterlijk over leren leven zonder houvast. Zolang het leven enigszins veilig in elkaar zit, kun je dat bijna romantiseren. Maar toen mijn partner wegviel, bleek dat toch heel wat ingewikkelder. Ik kwam niet uit met die eindigheid.
„Het boeddhisme zegt: niet de dood is het probleem, maar de ’ik’ die de dood niet wil hebben. Ik begrijp het belang van die onthechting wel, want die dood kun je niet veranderen en de gehechtheid van dat ’ik’ enigszins. Maar ik hoop dat ik nooit zo onthecht raak, dat ik mijn geliefde niet zou missen als die plotseling wegvalt. Want wat heb je dan zolang die er nog is? Het voelde als Spielerei met woorden om het leven minder hard te maken, terwijl het wel hard ís.”
Waren er ook elementen in het boeddhisme waar u wel steun in vond?
„Zeker. De Martelaere gebruikt een mooie metafoor van het zwemmen: als je wild beweegt en maait, is de kans groter dat je verdrinkt. Pas als je kalm bent, kun je profiteren van de dragende kracht van het water. Je kunt je ook door het leven laten dragen, als je iets loslaat van je eigen verzet en pijn. In zen gebeurt dat door overgave aan het moment.
„Wat me ook erg aanspreekt, is het Tibetaanse boeddhisme van Sogyal Rinpoche. Daarin is veel aandacht voor de emoties van de stervende en de mensen eromheen.”
Hebt u nooit gedacht: ik wil niets meer met dood te maken hebben?
„Heel erg. Het moeilijke was dat ik door dit boek steeds bij die pijn bleef. Bij tijden voelde ik weerzin en kwam ik uit bij: er valt niets fatsoenlijks over de dood te zeggen. Soms moest ik ook voedsel eten waarvan ik voelde: dit is helemaal niet goed voor me. Ik kan boos worden als er een metafysica gepresenteerd wordt waar ik helemaal niets mee kan, zoals bij Pim van Lommel. Terwijl ik er wel diep in moest duiken om erover te kunnen schrijven.
„Daar tegenover zet ik Rutger Kopland. Hij schrijft over niet verder willen kijken dan de eindigheid en over het erkennen van de pijn en het verdriet dat je die ander los moet laten en zelf verder moet gaan.”
Verwacht u dat u door dit boek het thema dood kunt afsluiten?
„De dood heeft iets fascinerends, dus ik ben bang dat het zal blijven terugkomen. Maar in een volgend project wil ik de verbondenheid in het leven centraal stellen, de relaties met mensen onderling en met de natuur.
„Voor dit boek heb ik me ook intensief verdiept in filosofieën over de natuur en de onvermijdelijkheid van leven en dood. Celbiologe Ursula Goudenough legt de nadruk op het ontzagwekkende van de evolutie en betoogt dat de eindige natuur bijna religieuze gevoelens van verwondering kan oproepen. Zij kwam voor mij eigenlijk nog het dichtst bij een antwoord, omdat ze laat zien: je kunt de natuur begrijpen en vervolgens beamen, het leven is zoals het is.”
© Trouw, 28-12-2010 (Elke van Riel)