Barst
13th October 2010, 01:26
Het prangende gebrek aan maatschappijkritische humor
Kopspijkers bestaat niet meer, Dit Was Het Nieuws stopt na dit seizoen, De Nieuwste Show was na een half jaar al van de buis, Koefnoen heeft niet meer het niveau van vroeger en een landelijk satririsch tijdschrift kent Nederland ook al niet. Waar ons land in het theater een rijke traditie aan maatschappijkritische humoristen kent, is het aanbod op tv en in de gedrukte media erg karig geworden. En dat terwijl humor erg belangrijk is: de Franse denker Henri Bergson legde ooit prachtig uit hoe lachen onze dagelijks beslommeringen doet vergeten. Zou het gebrek aan satire de reden zijn dat het publieke debat de laatste jaren zo overspannen is geraakt?
Nederland kampt met een groot gebrek aan kwaliteitssatire. Een landelijk verkrijgbaar satirisch tijdschrift, zoals het Belgische Humo, kent ons land niet en ook op televisie is het aanbod de laatste jaren karig.
In het theater is dat anders. Nederland kent – nog steeds – een rijke traditie aan sociaal betrokken humoristen, zoals Jan Jaap van der Wal, Javier Guzman en Theo Maassen. Maar ook hier begint de spoeling dunner te worden. Hans Teeuwen is naar Groot-Brittannië vertrokken en heeft zich op de jazz gestort; Freek de Jonge speelt tegenwoordig meer toneel dan cabaret. Youp van ’t Hek trekt nog wel volle zalen, maar teert al jaren op dezelfde soort maatschappijkritiek: dat Nederland te welvarend is geworden. Zijn er nieuwe talenten in aantocht? Veelzeggend is dat het cabaretfestival Cameretten in 2001 en 2007 géén persoonlijkheidsprijs uitreikte. De Groene Amsterdammer repte begin deze maand niet voor niets van een „satireloos tijdperk”.
Dit gebrek aan maatschappijkritische humor is een belangrijk gemis. Satire geeft een samenleving immers de mogelijkheid om zichzelf – en haar problemen – in een ander daglicht te zien en te relativeren. Hoe dat komt, is misschien duidelijk te maken aan de hand van de meer filosofische vraag wat humor eigenlijk is. Hoewel veel grote denkers uit de westerse filosofie geschreven hebben over die vraag, is de aandacht ervoor toch altijd vrij beperkt gebleven: de meeste filosofen zagen humor als een relatief onbelangrijke of moeilijk te analyseren kwestie en lieten het daarom vaak bij losse opmerkingen.
Niettemin zou je drie filosofische ‘theorieën’ over humor kunnen onderscheiden. De eerste en meest beperkte theorie is de superioriteitstheorie: het idee dat een grap altijd gepaard gaat met een gevoel ‘beter’ te zijn dan hetgeen waarom wordt gelachen. De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) definieerde humor op deze manier en ook de Schotse denker Thomas Hobbes (1588-1679) – die alle menselijke relaties beschouwde als machtsverhoudingen – stelde dat lachen een „plotseling gevoel van verhevenheid [is] ten opzichte van een ander of van ons vroegere zelf”.
Deze theorie lijkt humor dus te reduceren tot een soort leedvermaak, maar het is breder dan dat: het kan ook een vorm van herkenning van onze eigen tekortkomingen zijn. We vergelijken onszelf dan bijvoorbeeld met de ongelukkige of tragikomische figuur waarmee we worden geconfronteerd – een beproefd recept in Oudgriekse toneelspelen. Theo Maassen, die in zijn voorstellingen vaak ‘losers’ speelt, maakt veelvuldig gebruik van dit soort humor – en ook Youp van ’t Hek, die zijn toeschouwers regelmatig wijst op hun ‘armoedige’ leven, beroept zich erop.
De tweede, meer omvattende theorie is de zogenoemde incongruentietheorie: het idee dat humor altijd gepaard gaat met een element van verrassing. De rationalist Immanuel Kant (1724-1804) definieerde humor zo. „In alles dat lachwekkend is”, stelde hij, „gaat iets schuil wat absurd is, zodanig dat het verstand er geen verklaring voor heeft. Lachen is een impuls die voortkomt uit een verwachting die plotseling uitmondt in niets”.
Ook de Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788-1860) was een soortgelijke opvatting toegedaan: „Hoe groter en onverwachter de incongruentie is, des te harder de lach”, stelde hij. Deze vorm van humor ziet men terug bij Herman Finkers, die doorlopend gebruik maakt van woordspelingen en plotselinge wendingen in een verhaal. Bert Visscher, die meer fysiek cabaret speelt, zegt het er zelfs vaak bij: „Je verwacht het niet! Je verwacht het niet!”, roept hij dan.
De derde en laatste theorie staat bekend als de ontladingstheorie: het idee dat humor altijd gepaard gaat met een bepaalde ontlading van spanning of energie. De psycholoog Sigmund Freud (1856-1939) is een van de bekendste aanhangers van deze visie. In een essay getiteld Grappen en hun relatie tot het onbewuste (1905) stelt Freud dat we, door de bank genomen, om drie redenen lachen: om een verwachting, een onbegrip of een angst te ontladen. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom mensen vaak gaan giechelen als ze nerveus zijn.
De Nederlandse cabaretier die deze vorm van humor het beste beheerst, is Hans Teeuwen. Door bepaalde ‘extreme’ typetjes te spelen of door scčnes uitzonderlijk lang te rekken, wekt hij bij het publiek een gevoel van ongemak dat zich vervolgens ontlaadt in gelach. In zijn voorstelling Trui uit 1999 speelt hij deze techniek zelfs letterlijk uit door eerst heel dreigend langs de voorste rij van het publiek te lopen, om vervolgens in het Duits te verkondigen: „Diese Leute haben Angst!”
De ontladingstheorie is sterk bekritiseerd, maar geeft wel een zeer interessant inzicht, namelijk: dat lachen het vermogen heeft om een emotie, zoals angst of spanning, op te heffen. Geen enkele andere impuls kent die eigenschap. De Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) wijdt daarom ook een groot deel van zijn essay Lachen: een beschouwing over de betekenis van humor aan dit fenomeen.
Volgens Bergson verschaft lachen ons namelijk een moment „waarop het gevoel volledig afwezig is” – een moment waarop we eigenlijk „volstrekt onverschillig staan ten opzichte van de wereld”. Dat wil niet zeggen dat we niets kunnen voelen voor degene om wie we lachen, maar op het moment dát we lachen „schuiven we onze emoties helemaal terzijde.” Humor is dan ook „een soort verdoving van het hart”, aldus Bergson.
Dit klinkt behoorlijk negatief – alsof humor ons gevoelloos maakt – maar Bergson heeft wel een punt: wanneer we lachen, vergeten we als het ware de sores van alledag. Daarom noemen mensen lachen ook ‘het beste medicijn’: wie lacht, kán geen pijn ervaren. En juist deze „belangeloze afstand”, zoals Bergson het noemt, die we tussen onszelf en onze emoties ervaren, maakt dat humor een middel bij uitstek is om problemen te relativeren en anders te bekijken. Door te lachen hebben we geen emotioneel belang bij wat we zien: waar we normaal boos of gefrustreerd van zouden raken, laat ons dan onverschillig. We kunnen er ‘wel om lachen’, zeggen we dan.
Het zou mij niet verbazen als er, om deze reden, een verband bestond tussen het hedendaagse politieke klimaat in Nederland aan de ene kant en het gebrek aan satire aan de andere. Het publieke debat van de afgelopen jaren is immers behoorlijk overspannen te noemen: mensen slepen elkaar voor de rechter wegens de minste of geringste ‘belediging’; cartoonisten worden door de AIVD gearresteerd wegens ‘godslasterlijke’ cartoons en internet is soms een broedplaats voor scheldpartijen en onheuse aantijgingen.
Ook prominenten lijken over minder relativeringsvermogen te beschikken. Zo sleepte premier Balkenende het weekblad Opinio voor de rechter wegens het publiceren van een nepspeech onder zijn naam en daagde prins Willem-Alexander onlangs nog het persbureau AP wegens een paar onrechtmatig verkregen vakantiefoto’s. PVV-leider Wilders voelt zich ondertussen voortdurend „geschoffeerd” of „te kijk gezet” als het kabinet zijn vragen niet beantwoord zoals hij wil. En minister Ter Horst liep begin deze maand zelfs beledigd weg uit een Kamerdebat – een ministeriële primeur in de parlementaire geschiedenis.
Wreekt het gebrek aan satire zich op deze manier? Ik vermoed van wel. Te weinig worden we gewezen op de absurditeit, relativiteit en tegenstrijdigheid van onze dagelijkse maatschappelijke beslommeringen. Te weinig krijgen we daardoor de kans om onze emoties te ontladen en onze belangen te ‘vergeten’. Daarom vraag ik: welke komiek laat ons land, iedere zaterdagavond, zichzelf weer eventjes wat minder serieus nemen?
Nrc.next, 30-09-2009 (Rob Wijnberg)
Kopspijkers bestaat niet meer, Dit Was Het Nieuws stopt na dit seizoen, De Nieuwste Show was na een half jaar al van de buis, Koefnoen heeft niet meer het niveau van vroeger en een landelijk satririsch tijdschrift kent Nederland ook al niet. Waar ons land in het theater een rijke traditie aan maatschappijkritische humoristen kent, is het aanbod op tv en in de gedrukte media erg karig geworden. En dat terwijl humor erg belangrijk is: de Franse denker Henri Bergson legde ooit prachtig uit hoe lachen onze dagelijks beslommeringen doet vergeten. Zou het gebrek aan satire de reden zijn dat het publieke debat de laatste jaren zo overspannen is geraakt?
Nederland kampt met een groot gebrek aan kwaliteitssatire. Een landelijk verkrijgbaar satirisch tijdschrift, zoals het Belgische Humo, kent ons land niet en ook op televisie is het aanbod de laatste jaren karig.
In het theater is dat anders. Nederland kent – nog steeds – een rijke traditie aan sociaal betrokken humoristen, zoals Jan Jaap van der Wal, Javier Guzman en Theo Maassen. Maar ook hier begint de spoeling dunner te worden. Hans Teeuwen is naar Groot-Brittannië vertrokken en heeft zich op de jazz gestort; Freek de Jonge speelt tegenwoordig meer toneel dan cabaret. Youp van ’t Hek trekt nog wel volle zalen, maar teert al jaren op dezelfde soort maatschappijkritiek: dat Nederland te welvarend is geworden. Zijn er nieuwe talenten in aantocht? Veelzeggend is dat het cabaretfestival Cameretten in 2001 en 2007 géén persoonlijkheidsprijs uitreikte. De Groene Amsterdammer repte begin deze maand niet voor niets van een „satireloos tijdperk”.
Dit gebrek aan maatschappijkritische humor is een belangrijk gemis. Satire geeft een samenleving immers de mogelijkheid om zichzelf – en haar problemen – in een ander daglicht te zien en te relativeren. Hoe dat komt, is misschien duidelijk te maken aan de hand van de meer filosofische vraag wat humor eigenlijk is. Hoewel veel grote denkers uit de westerse filosofie geschreven hebben over die vraag, is de aandacht ervoor toch altijd vrij beperkt gebleven: de meeste filosofen zagen humor als een relatief onbelangrijke of moeilijk te analyseren kwestie en lieten het daarom vaak bij losse opmerkingen.
Niettemin zou je drie filosofische ‘theorieën’ over humor kunnen onderscheiden. De eerste en meest beperkte theorie is de superioriteitstheorie: het idee dat een grap altijd gepaard gaat met een gevoel ‘beter’ te zijn dan hetgeen waarom wordt gelachen. De Griekse filosoof Aristoteles (384-322 v. Chr.) definieerde humor op deze manier en ook de Schotse denker Thomas Hobbes (1588-1679) – die alle menselijke relaties beschouwde als machtsverhoudingen – stelde dat lachen een „plotseling gevoel van verhevenheid [is] ten opzichte van een ander of van ons vroegere zelf”.
Deze theorie lijkt humor dus te reduceren tot een soort leedvermaak, maar het is breder dan dat: het kan ook een vorm van herkenning van onze eigen tekortkomingen zijn. We vergelijken onszelf dan bijvoorbeeld met de ongelukkige of tragikomische figuur waarmee we worden geconfronteerd – een beproefd recept in Oudgriekse toneelspelen. Theo Maassen, die in zijn voorstellingen vaak ‘losers’ speelt, maakt veelvuldig gebruik van dit soort humor – en ook Youp van ’t Hek, die zijn toeschouwers regelmatig wijst op hun ‘armoedige’ leven, beroept zich erop.
De tweede, meer omvattende theorie is de zogenoemde incongruentietheorie: het idee dat humor altijd gepaard gaat met een element van verrassing. De rationalist Immanuel Kant (1724-1804) definieerde humor zo. „In alles dat lachwekkend is”, stelde hij, „gaat iets schuil wat absurd is, zodanig dat het verstand er geen verklaring voor heeft. Lachen is een impuls die voortkomt uit een verwachting die plotseling uitmondt in niets”.
Ook de Duitse denker Arthur Schopenhauer (1788-1860) was een soortgelijke opvatting toegedaan: „Hoe groter en onverwachter de incongruentie is, des te harder de lach”, stelde hij. Deze vorm van humor ziet men terug bij Herman Finkers, die doorlopend gebruik maakt van woordspelingen en plotselinge wendingen in een verhaal. Bert Visscher, die meer fysiek cabaret speelt, zegt het er zelfs vaak bij: „Je verwacht het niet! Je verwacht het niet!”, roept hij dan.
De derde en laatste theorie staat bekend als de ontladingstheorie: het idee dat humor altijd gepaard gaat met een bepaalde ontlading van spanning of energie. De psycholoog Sigmund Freud (1856-1939) is een van de bekendste aanhangers van deze visie. In een essay getiteld Grappen en hun relatie tot het onbewuste (1905) stelt Freud dat we, door de bank genomen, om drie redenen lachen: om een verwachting, een onbegrip of een angst te ontladen. Dat verklaart bijvoorbeeld waarom mensen vaak gaan giechelen als ze nerveus zijn.
De Nederlandse cabaretier die deze vorm van humor het beste beheerst, is Hans Teeuwen. Door bepaalde ‘extreme’ typetjes te spelen of door scčnes uitzonderlijk lang te rekken, wekt hij bij het publiek een gevoel van ongemak dat zich vervolgens ontlaadt in gelach. In zijn voorstelling Trui uit 1999 speelt hij deze techniek zelfs letterlijk uit door eerst heel dreigend langs de voorste rij van het publiek te lopen, om vervolgens in het Duits te verkondigen: „Diese Leute haben Angst!”
De ontladingstheorie is sterk bekritiseerd, maar geeft wel een zeer interessant inzicht, namelijk: dat lachen het vermogen heeft om een emotie, zoals angst of spanning, op te heffen. Geen enkele andere impuls kent die eigenschap. De Franse filosoof Henri Bergson (1859-1941) wijdt daarom ook een groot deel van zijn essay Lachen: een beschouwing over de betekenis van humor aan dit fenomeen.
Volgens Bergson verschaft lachen ons namelijk een moment „waarop het gevoel volledig afwezig is” – een moment waarop we eigenlijk „volstrekt onverschillig staan ten opzichte van de wereld”. Dat wil niet zeggen dat we niets kunnen voelen voor degene om wie we lachen, maar op het moment dát we lachen „schuiven we onze emoties helemaal terzijde.” Humor is dan ook „een soort verdoving van het hart”, aldus Bergson.
Dit klinkt behoorlijk negatief – alsof humor ons gevoelloos maakt – maar Bergson heeft wel een punt: wanneer we lachen, vergeten we als het ware de sores van alledag. Daarom noemen mensen lachen ook ‘het beste medicijn’: wie lacht, kán geen pijn ervaren. En juist deze „belangeloze afstand”, zoals Bergson het noemt, die we tussen onszelf en onze emoties ervaren, maakt dat humor een middel bij uitstek is om problemen te relativeren en anders te bekijken. Door te lachen hebben we geen emotioneel belang bij wat we zien: waar we normaal boos of gefrustreerd van zouden raken, laat ons dan onverschillig. We kunnen er ‘wel om lachen’, zeggen we dan.
Het zou mij niet verbazen als er, om deze reden, een verband bestond tussen het hedendaagse politieke klimaat in Nederland aan de ene kant en het gebrek aan satire aan de andere. Het publieke debat van de afgelopen jaren is immers behoorlijk overspannen te noemen: mensen slepen elkaar voor de rechter wegens de minste of geringste ‘belediging’; cartoonisten worden door de AIVD gearresteerd wegens ‘godslasterlijke’ cartoons en internet is soms een broedplaats voor scheldpartijen en onheuse aantijgingen.
Ook prominenten lijken over minder relativeringsvermogen te beschikken. Zo sleepte premier Balkenende het weekblad Opinio voor de rechter wegens het publiceren van een nepspeech onder zijn naam en daagde prins Willem-Alexander onlangs nog het persbureau AP wegens een paar onrechtmatig verkregen vakantiefoto’s. PVV-leider Wilders voelt zich ondertussen voortdurend „geschoffeerd” of „te kijk gezet” als het kabinet zijn vragen niet beantwoord zoals hij wil. En minister Ter Horst liep begin deze maand zelfs beledigd weg uit een Kamerdebat – een ministeriële primeur in de parlementaire geschiedenis.
Wreekt het gebrek aan satire zich op deze manier? Ik vermoed van wel. Te weinig worden we gewezen op de absurditeit, relativiteit en tegenstrijdigheid van onze dagelijkse maatschappelijke beslommeringen. Te weinig krijgen we daardoor de kans om onze emoties te ontladen en onze belangen te ‘vergeten’. Daarom vraag ik: welke komiek laat ons land, iedere zaterdagavond, zichzelf weer eventjes wat minder serieus nemen?
Nrc.next, 30-09-2009 (Rob Wijnberg)