Hanne Jansen
26th February 2008, 08:21
Bijna één op vijf kinderen in de Europese Unie (19 procent) loopt een risico op armoede. Dat blijkt uit een rapport dat de Europese Commissie vandaag publiceerde. In België loopt 15 procent van de kinderen een risico op armoede.
Mediaan inkomen
Zestien procent van de Europeanen liep in 2006 een risico op armoede. Dat betekent volgens de statistieken dat deze mensen beschikken over minder dan 60 procent van het mediaan inkomen in hun land. In concreto komt dat voor een gezin met twee volwassenen en twee kinderen in een 'oude' lidstaat van de Europese Unie ongeveer neer op een inkomen lager dan 1.500 tot 1.900 euro.
Polen hoogste risico
Onder de 78 miljoen Europeanen met een armoederisico waren 19 miljoen kinderen. In de meeste Europese landen lopen kinderen dus een groter risico op armoede dan de rest van de bevolking. België, Duitsland, Cyprus, Slovenië, Finland en Denemarken zijn de enige zes landen waar die theorie niet opgaat. Denemarken en Finland zijn de landen met de laagste kinderarmoede (10 pct). Het hoogste risico lopen kinderen in Polen (26 pct). Bij de 'oude' lidstaten vallen de hoge scores van Italië (25 pct) en Groot-Brittannië (24 pct) op.
Onvoldoende verdienen
Kinderarmoede kent volgens het Europese rapport uiteenlopende oorzaken. Vaak is de armoede te wijten aan het feit dat de ouders geen werk hebben of onvoldoende verdienen, maar ook de omvang van toelages kan een rol spelen. Een efficiënte aanpak van kinderarmoede moet volgens de Commissie rekening houden met al deze aspecten: een makkelijke toegang tot jobs met een behoorlijk salaris, gecombineerd met randvoorwaarden als kinderopvang en voldoende inkomenssteun. Onder meer Denemarken, Zweden en Nederland beantwoorden aan deze eisen.
Werkloos gezin
België bevindt zich net als Duitsland en Frankrijk in een tweede groep. In deze landen is de kinderarmoede vooral te wijten aan het grote aantal kinderen dat leeft in een gezin waar niemand een job heeft. Zo leeft meer dan 13 procent van de Belgische kinderen in een werkloos (éénouder)gezin. Enkel in Groot-Brittannië en Hongarije ligt dat percentage nog hoger. Het Europese gemiddelde bedraagt minder dan 10 procent.
Lage arbeidsintensiteit
In sommige landen is het risico op armoede echter ook groot in gezinnen waar de ouders wel een job hebben. Vaak is het salaris ontoereikend of ligt de arbeidsintensiteit relatief laag. Dat is onder meer het geval in Polen, Spanje en Portugal, waar meer dan 20 procent van de kinderen een risico op armoede loopt ondanks het feit dat minstens één van de ouders werk heeft. Op Europese schaal bevindt 13 procent van de kinderen zich in een dergelijke situatie.
Gebrek aan cijfers
Volgens Unicef is er in België een gebrek aan cijfermateriaal over kinderen in armoede. "En zonder cijfers is het heel moeilijk een beleid te voeren", klinkt het. De hulporganisatie wil in 2009-2010 hierover een onderzoek opstarten. Gaëlle Buysschaert, Child Rights Officer bij Unicef België, bemerkt dat veel Belgische kinderen in armoede in het buitengewoon onderwijs terecht komen. "Dat terwijl ze daar eigenlijk niet thuishoren", zegt Buysschaert. "Heel veel van die kinderen worden ook geplaatst. Zo hebben ze dan misschien wel een betere levensstandaard, maar moeten ze het familieleven missen."
Mediaan inkomen
Zestien procent van de Europeanen liep in 2006 een risico op armoede. Dat betekent volgens de statistieken dat deze mensen beschikken over minder dan 60 procent van het mediaan inkomen in hun land. In concreto komt dat voor een gezin met twee volwassenen en twee kinderen in een 'oude' lidstaat van de Europese Unie ongeveer neer op een inkomen lager dan 1.500 tot 1.900 euro.
Polen hoogste risico
Onder de 78 miljoen Europeanen met een armoederisico waren 19 miljoen kinderen. In de meeste Europese landen lopen kinderen dus een groter risico op armoede dan de rest van de bevolking. België, Duitsland, Cyprus, Slovenië, Finland en Denemarken zijn de enige zes landen waar die theorie niet opgaat. Denemarken en Finland zijn de landen met de laagste kinderarmoede (10 pct). Het hoogste risico lopen kinderen in Polen (26 pct). Bij de 'oude' lidstaten vallen de hoge scores van Italië (25 pct) en Groot-Brittannië (24 pct) op.
Onvoldoende verdienen
Kinderarmoede kent volgens het Europese rapport uiteenlopende oorzaken. Vaak is de armoede te wijten aan het feit dat de ouders geen werk hebben of onvoldoende verdienen, maar ook de omvang van toelages kan een rol spelen. Een efficiënte aanpak van kinderarmoede moet volgens de Commissie rekening houden met al deze aspecten: een makkelijke toegang tot jobs met een behoorlijk salaris, gecombineerd met randvoorwaarden als kinderopvang en voldoende inkomenssteun. Onder meer Denemarken, Zweden en Nederland beantwoorden aan deze eisen.
Werkloos gezin
België bevindt zich net als Duitsland en Frankrijk in een tweede groep. In deze landen is de kinderarmoede vooral te wijten aan het grote aantal kinderen dat leeft in een gezin waar niemand een job heeft. Zo leeft meer dan 13 procent van de Belgische kinderen in een werkloos (éénouder)gezin. Enkel in Groot-Brittannië en Hongarije ligt dat percentage nog hoger. Het Europese gemiddelde bedraagt minder dan 10 procent.
Lage arbeidsintensiteit
In sommige landen is het risico op armoede echter ook groot in gezinnen waar de ouders wel een job hebben. Vaak is het salaris ontoereikend of ligt de arbeidsintensiteit relatief laag. Dat is onder meer het geval in Polen, Spanje en Portugal, waar meer dan 20 procent van de kinderen een risico op armoede loopt ondanks het feit dat minstens één van de ouders werk heeft. Op Europese schaal bevindt 13 procent van de kinderen zich in een dergelijke situatie.
Gebrek aan cijfers
Volgens Unicef is er in België een gebrek aan cijfermateriaal over kinderen in armoede. "En zonder cijfers is het heel moeilijk een beleid te voeren", klinkt het. De hulporganisatie wil in 2009-2010 hierover een onderzoek opstarten. Gaëlle Buysschaert, Child Rights Officer bij Unicef België, bemerkt dat veel Belgische kinderen in armoede in het buitengewoon onderwijs terecht komen. "Dat terwijl ze daar eigenlijk niet thuishoren", zegt Buysschaert. "Heel veel van die kinderen worden ook geplaatst. Zo hebben ze dan misschien wel een betere levensstandaard, maar moeten ze het familieleven missen."